Ik word wakker doordat een lamp in mijn gezicht schijnt. Een felle lamp. Ik hoor lawaai, stemmen en voetstappen. Dan word ik omhooggetrokken uit mijn bed, mijn vriend eveneens. Terwijl ik nog steeds een beetje versuft ben raak ik langzaam aan in paniek en hoor ik in de verte een autoritaire stem roepen dat ik me moet aankleden en snel een beetje. Mijn vriend ook. Hij is net thuis van een zeer zware operatie, zijn wond is nog niet dicht. Ik zie bloed op zijn shirt. Dan voel ik handboeien om mijn polsen glijden. Auw. Waarom moet het zo hardhandig? Even later word ik in een auto geduwd waarvan de motor nog loopt en dan hoor ik dat ik gearresteerd ben vanwege een geplande aanslag op prins Willem Alexander tijdens zijn kroning.

Foto Tessonome
Tijdens de rit naar het politiekantoor slaan mijn gedachten volledig op hol. Ik zou een aanslag op Willem Alexander willen plegen? Ik? Het moet niet gekker worden. Ik heb niets met die man en nog minder met het beramen van aanslagen. Wel ben ik van mening dat het koningshuis zichzelf maar eens moet gaan bedruipen en dat Nederland omgezet kan worden in een Republiek, maar dat is nog geen reden om de man in kwestie, die Willen Alexander te willen vermoorden. Althans voor mij zijn dit twee totaal verschillende zaken. Ik zie dat we naar het hoofdkantoor rijden in het midden van de stad. Nadat de auto tot stilstand komt word ik er half uit gesleurd, waarom zo hardhandig, en meegenomen naar een kamer. Twee mannen zitten aan de andere kant van een tafel. Gedurende vier en twintig uur word ik doorgezaagd met vragen. Ik krijg af en toe wat te drinken en mag snel plassen als ik dreig – dat is hun wachtwerkwoord om in actie te komen – het in mijn broek te doenn gebruik maken van het toilet. Mijn advocaat is er nog niet.
Waarom niet?
Volledig uitgeput word ik in een cel gedropt waarvan de lamp voortdurend aan en uit gaat. Ik wil mijn ogen sluiten, maar dat gaat niet. Mijn hersenen werken op volle toeren na meer dan 30 uur wakker zijn. Ik kan niet meer echt helder denken maar ik denk me een punthoofd. Mijn lichaam voelt licht, alsof het niet meer met mijn hoofd verbonden is. Dan gaat de deur open en komt mijn advocaat naar binnen. In een opwelling wil ik hem om de hals vliegen maar weet me te beheersen. Hij houdt daar niet van. Afstand houden is professioneel. Ik weet dat dit zo is, maar ik heb behoefte aan een warm troostend mensenlichaam dat mij vertelt dat alles goed komt en dat ik naar huis mag. Mijn vriend is vanochtend ontslagen, nou ja naar het ziekenhuis om zijn opengesprongen wond te laten verzorgen. Ik moet me daar maar geen zorgen om maken.
Langzaam maar zeker begint de ernst van de situatie waarin ik mij bevind door te dringen. Er is een Maria Loos die samen met een groep een aanslag wil plegen op de dag van de kroning van Willem Alexander. Op mijn naam is een kamer gehuurd – betaald via mijn internetbankieren- , tegenover de ingang van de kerk waar de kroning plaatsvind en in die kamer zijn attributen aangetroffen die wijzen op een aanslag in voorbereiding. Alles wijst erop dat ik, Maria Loos, betrokken ben bij een aanslag op Willem Alexander. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Alles wat je nu zegt kan tegen je worden gebruikt. Dus we gaan voor de stilte. Vanaf dat moment doe ik mijn mond niet meer open. Het zal moeilijk worden meent mijn advocaat. Ze zullen er alles aan doen om een verklaring te krijgen van mij. Alles? Ook martelen? Nee, hij dacht van niet. Maar ja, je weet het nooit met die lui. Ook hier neemt de waanzin overgewaaid uit Amerika toe!
Ik herinner mij opeens die man van dat waxinelichtje die ze in een psychiatrische kliniek hadden laten plaatsen en dan komen de beelden van de man in die kapotte auto die vlak voordat hij stierf riep: Willem Alexander is een fascist. De Dam schreeuwer? Of was het iets totaal anders. Ging het om water? De watermaffia? Willem Alexander, de waterbaron in spé, die waarschijnlijk een fortuin ging maken met water? Ze kon niet meer goed denken. Flarden zinnen raasden door haar hoofd zoals het landschap op een snelweg.
Na drie dagen en nachten mocht ze naar huis. Ze hadden haar verbaal gedreigd en wilden haar uitspelen met behulp van de ‘good cop bad cop’ methode. Maar ze had het klaargespeeld om haar kaken stijf op elkaar te houden. Nadat de zware deur achter haar dichtviel stond ze in het centrum van Amsterdam. Totaal gedesoriënteerd, geen telefoon, geen geld, gehuld in kleding die volledig verfomfaaid was én ze kon zichzelf ruiken. Lopen was de enige manier om thuis te komen. Ze had geen kracht om uit te leggen aan een tramchauffeur waarom ze geen geld bij zich had. Tranen liepen over haar wangen. Identiteitsfraude. Zij was slachtoffer van Identiteitsfraude. Elk jaar, had de politie haar meegedeeld, worden er miljoenen identiteiten gestolen. Moest dit haar troosten en de handelwijze van de politie jegens haar goedpraten? Ik moest beter opletten met het geven van wachtwoorden en banknummers. Adressen zijn helemaal taboe op internet. Hij noemde het getal 85 van 85 miljoen ontvreemde identiteiten.
Bizar.
Mijn vriend deed de deur open en nam mij in zijn armen. Ik heb een uur aan een stuk door gehuild, kon er niet mee ophouden. Hij maakte kruidenthee voor mij en stopte mij in bad. Ik zag aan hem dat zijn operatiewond hem pijn deed en toch kon ik er niet zijn voor hem op dat moment. Ik was volledig van de kaart. Met een valiumpje – dat in huis ergens op een veilige plekje lag voor noodgevallen – werd ik onder de wol gestopt. De slaap kwam snel, diep en zonder dromen; het wakker worden was afgrijselijk, alles deed pijn. Mijn hele lichaam voelde beurs aan. Ik was toch niet geslagen? De geestelijke marteling van drie dagen en enkele malen ook gedurende de nacht ondervraging had zich in mijn lijf vastgezet. Mijn ademhaling werd steeds oppervlakkiger om maar niet de pijn te hoeven voelen.
Ik was thuis en veilig, ofschoon ik het gevoel had dat er voortdurend iemand naar mij keek. Maar dat kon niet zijn. Hoe zouden ze dat dan gedaan hebben? Mijn vriend was toch al die tijd thuis geweest? Behalve dan die ene nacht … .
Dit sprookje is gebaseerd op de Film Im Netz.